Kruiden in de kraamstal
Een praktijkonderzoek voor en door biologische varkenshouders
uitgevoerd in de zomer van 2005
Tedje van Asseldonk,
Gerdien Kleijer-Ligtenberg,
Adriaan Vernooij
met assistentie van
Bart Halkes
(PhytogeniX/UU) bij verslaglegging en statistiek
in opdracht van en in samenwerking met de Studieclub Noord van de
Vereniging voor Biologische Varkenshouders,
participerende bedrijven: Rietberg, Holten; Donkers, Uden; Overesch, Raalte;
Boeijink, Ruurlo; Harmsen, Hengelo en Praktijkcentrum Varkenshouderij, Raalte;
en met hulp van stagiaires van de opleidingen diernatuurgeneeskunde in Meppel en
Breda:
Sanna van den Acker, Desiree Docter, Karin Godeschalk, Karin Hermus,
Margritta Holtman, Rienk Noordhuis en Kees Woord.
Dit onderzoek is mede mogelijk gemaakt
dank zij een subsidie van de Provincie Overijssel in het kader van
Het Plan van Aanpak Biologische Landbouw 2005-2007
Inleiding

Doelstelling
Materiaal en methoden
Resultaten
Conclusies en discussie
Kostenaspect
Dankwoord
Literatuur
Bijlagen
1. Toelichting
op de gekozen kruiden
2. Hokkaart (model)
3. Tabellen
Verzendlijst:
Provincie Overijssel
ASG WUR:
Hans Spoolder, Monique Mul, Ineke Eijck, Herman Vermeer, Henk Altena, Gerard
Plagge, Carla Henniphof, Wichert Koopman, Marinus van Krimpen, Carola van de
Peet, Andre Aarnink, Paul Kemme, Ina Enting, Nico Verdoes, Martien Bokma, Bennie
van de Fels, Anita Hoofs, Mart Smolders.
Biologica:
Jacques Meijs, Bert van Ruitenbeek, Maurits Steverink
VBV, alle leden (70)
IEZ (staf + studenten + Phytogenix): 15
NVF (SDK): 6.
Groene Weg
Louis Bolk instituut:
Anneke de Vries, Monique Bestman
LTO Nederland, vg Varkenshouderij, Marjolein van Huik
LNV: Lambert Westerlaken
SKAL: Inge de Groot
Biologische varkensbedrijven
willen zoveel mogelijk natuurlijke (diervriendelijke en milieuvriendelijke)
middelen gebruiken om gezondheid en welzijn van de dieren te optimaliseren. Over
de bruikbaarheid en het gebruik van deze middelen (wat levert het op; hoe
precies gaat het in zijn werk) in de varkenshouderij is echter nog weinig
bekend.
De noodzaak om te zoeken naar vervanging voor het gebruik van antibiotica wordt
sterk gevoeld en gedragen door alle partijen. De indruk bestaat dat vooral
kruidenmiddelen een belangrijke bijdrage zouden kunnen leveren (Holden/McKean,
2000; Van Asseldonk/Kleijer-Ligtenberg, 2005). Dit werd mede onderschreven door
de prioriteiten voor onderzoek zoals vastgesteld in de Project Werkgroep
Varkensvlees van Biologica en is mede gebaseerd op bedrijfsmatige ervaringen
opgedaan in praktijkcentrum Raalte. Het is inmiddels bekend dat veel planten hun
medicinaal effect te danken hebben aan secundaire plantenstoffen, die zij
synthetiseren ter verdediging tegen schimmels en bacteriën. Van zwavelhoudende
verbindingen in onder meer knoflook en broccoli is vastgesteld dat ze werkzaam
zijn tegen onder meer Helicobacter pylori en E-coli. Enkele
studies (Allan/Bilkei 2005; Walter/Bilkei 2004) hebben positieve effecten van
oregano (kruid) en oregano (vluchtige olie) laten zien op de groei van varkens,
waarbij zowel stimulering van spijsverteringssappen, een immuunsysteem
stimulerende en een antibiotische werking van het kruid een rol zouden kunnen
spelen. Kruiden zijn zeer complex van samenstelling, en kunnen wellicht, mits
goed gekozen, een gezondheidsprobleem op meerdere aspecten tegelijk aanpakken.
Ook vanuit de gangbare varkenshouderij bestaat grote
interesse in het gebruik van alternatieven van antibiotica ter ondersteuning van
de gezondheid van de varkensstapel. De varkenshouderij in Nederland is een
grootverbruiker van antibiotica (Fidin, 2005). M.i.v. 01-01-2006 is het
preventief toevoegen van antibiotica aan mengvoeders niet meer toegestaan.
Omdat er nog weinig in de sector bekend is over kruiden bij
varkens, heeft de Vereniging van Biologische Varkenshouders (VBV) een korte
cursus over kruidengeneeskunde georganiseerd voor haar leden. Hiervoor werden
als docenten gevraagd en bereid gevonden drs A.G.M. van Asseldonk, bioloog/
kruidenexpert, werkzaam bij het Instituut voor Etnobotanie en Zoöfarmacognosie
en drs. Gerdien Kleijer-Lichtenberg, varkensdierenarts, beiden leden van de
Nederlandse Vereniging voor Fytotherapie (NVF) en aangesloten bij NVF
Studiegroep Dier en Kruid. Tijdens de toelichting op de mogelijkheden en
moeilijkheden van deze therapievorm, ontstond bij de deelnemende varkenshouders
de behoefte om met een aantal bedrijven, ieder op het eigen bedrijf, de inzet
van een concreet recept te onderzoeken.
Op deze manier wilden de deelnemende bedrijven tot een beter begrip te komen van
de kosten/moeite/baten verhouding, hetgeen de hele sector (mogelijk zelfs ook de
reguliere veehouderij) ten goede zal komen. De biologische varkenshouderij geeft
hiermee tevens een verdere invulling aan haar rol van voortrekker van
verduurzaming van de varkenshouderij in brede zin.
Voor de Animal Sciences Group (ASG) was het interessant om
te onderzoeken of de gekozen receptuur in een gangbare varkenshouderij
vergelijkbare resultaten zou geven als bij de biologische veehouderij.
Voor de NVF en voor het IEZ past het ontwerpen en uitvoeren
van onderzoek in haar doelstelling om de toepassing van geneeskruiden te
verbeteren door de inzet van wetenschap.
Voor de deelnemende studenten was het een interessante
stagemogelijkheid in een sector die wellicht in de toekomst een doelgroep voor
hun beroepsmatige advisering kan zijn. Hun hulp maakte het mogelijk dat de
varkenshouders ondanks hun drukke dagelijkse bezigheden mee konden doen aan deze
proef.
Vanuit Praktijkcentrum Varkenshouderij Raalte is
ondersteuning verleend voor de opzet, uitvoering en verslaglegging van de proef.
De provincie Overijssel werd gevraagd en zegde toe dit
project door het subsidiëren van de kosten mogelijk te maken met middelen uit
het Plan van Aanpak Biologische Landbouw 2005-2007.
Het algemeen doel van dit onderzoek is de vermindering van
(de noodzaak tot) het gebruik van chemisch synthetische geneesmiddelen in de
biologische en gangbare varkenshouderij door de preventieve inzet van
voedingsgerelateerde kruiden.
In deze eerste opzet werd het gezondheidsvoordeel
onderzocht, dat kan worden bereikt voor de opfok van biggen in de kraamstal en
na het spenen, met enkele milde kruiden met een brede werking. Dit vanuit de
gedachte, dat het voor een goede gezondheid vooral belangrijk is, dat het jonge
dier een goede start maakt. De gekozen kruiden zijn humaan al eeuwenlang in
gebruik voor moeder en kind. Zie bijlage 1 voor de toelichting op de gekozen
kruiden en de dosering. Hiervoor is uitgegaan van informatie uit ESCOP, 2003 en
Reichling et al, 2005 en expertise aanwezig in de NVF-studiegroep Dier en Kruid.
Getest werd
1.Of een mengsel van anijs, venkel en brandnetel door
zeugen in de kraamstal goed wordt opgenomen en of dit een effect heeft op de
melkgift (cq de groei en gezondheid van de biggen).
2. Of een mengsel van venkel en tijm wordt geaccepteerd
door de biggen, of het de voeropname en groei van de biggen verbetert, en het
optreden van speendiarree vermindert.
De proef liep vanaf begin juni 2005 en duurde (per
proefopzet) 10 weken. De laatste proefgroep sloot af eind september 2005. Op
enkele kleinere bedrijven duurde het enkele weken voordat de proef ''vol'' was
(minimaal 7 zeugen in zowel proef- als controlegroep).
Vanaf de start van de proef werden de zeugen die afbiggen
in twee groepen verdeeld, bij voorkeur zodanig dat de proef- en controlegroep
geen direct contact met elkaar hadden.
Vanaf het moment van afbiggen kregen de zeugen in de
proefgroep 1 keer per dag 30 gram kruidenmengsel over het voer gedurende 14
dagen. Het kruidenmengsel bestond uit: anijszaad, venkelzaad en brandnetelkruid
(verhouding 1:1:2). De controlegroep kreeg geen kruiden.
Vanaf het moment dat de biggen werden bijgevoerd (2 weken
na de geboorte) kregen de biggen in de proefgroep een mengsel van CCM (Corn Cob
Mix, gemalen maiskorrels met een droge stof gehalte van 55-60%, waarbij soms een
gedeelte van de spil mee geoogst is), venkelzaad en tijmblad (verhouding
8,5:1:0,5) door het voer gemengd. Per 10 kilo voer ging er 1 kilo van dit
mengsel door, dus 850 g CCM, 100 g venkel en 50 g tijm.
De biggen in de controlegroep kregen alleen CCM door het
voer (850 gram per 10 kilo). Een uitzondering vormt bedrijf nr 5, daar werd geen
CCM gevoerd en is de betreffende hoeveelheid kruiden over het aangeboden voer
gestrooid.
De biggen werden met ongeveer 6 weken gespeend (uitzondering: bedrijf nr 1, PC
Raalte, daar deden 18 regulier gehouden tomen mee, die met vier weken worden
gespeend). De tweede week na het spenen werd de dosering van de kruiden
gehalveerd. Na deze week werd de verstrekking van de kruiden gestopt.
De hier gebruikte kruiden werden in poedervorm (gemalen) in grootverpakking
besteld bij de VNK te Elburg. Het betreft zoete venkel (mediterraan) en in
Nederland geteelde tijm, de brandnetel en anijs komen uit Bulgarije. Deze
kruiden voldoen aan kwaliteitseisen van de warenwet, maar niet aan de
(strengere) eisen van de farmacopee.
De studenten zorgden voor een kwantitatieve en kwalitatieve
goede menging. In enkele goed afsluitbare plastic emmers, voorzien van een
maatschep, werden ze naar de veehouders gebracht.
Meetpunten
Via een hokkaart (zie bijlage 2) werd bijgehouden wanneer
en hoeveel dieren werden geboren. Per zeug werden de oornummers van de biggen
genoteerd. Overleggen was toegestaan; binnen de groep (verum of controle) en
binnen 48 uur met de vermelding van welke zeug naar welke zeug de big gaat.
De uitval werd genoteerd met datum van uitval, reden van
uitval en geschat gewicht.
De totale uitval als percentage van het startaantal biggen
(aantal levend geboren biggen, gecorrigeerd voor bijleggen en overleggen) werd
per bedrijf en over alle bedrijven vergeleken.
Ziektes en behandelingen werden ook genoteerd op de
hokkaart.
Het eerste weegmoment van de toom werd een paar dagen na de
geboorte gekozen.
Op het moment van spenen (ca. 42 dagen leeftijd) werden de
biggen voor de tweede maal gewogen.
Na het spenen werd op 2 momenten diarree gescoord: op 1 en
2 weken na het spenen.
De methode hiervoor bestond uit het tellen van het aantal
''vieze kontjes'' (zie bijlage 2)
Op een leeftijd van 9 a 10 weken (opleg) werden de biggen
voor de derde keer gewogen.
De data van al deze weegmomenten werden genoteerd.
Vanuit deze drie weegmomenten per bedrijf berekenden we
voor de beide tussenliggende perioden de gemiddelde groei per big per dag. Omdat
in de speenleeftijd grote verschillen zaten, zowel binnen als tussen de
bedrijven, en de individuele biggen op vele bedrijven niet gewogen konden
worden, is uiteindelijk gekozen voor het verwerken van de bereikte opbrengst per
zeug (toom) per dag over de hele periode van geboorte tot de opleg.
Omdat de omstandigheden op alle deelnemende bedrijven erg
verschillend waren zijn de samengevoegde resultaten als indicatief te
beschouwen. De resultaten worden per bedrijf gepresenteerd, met een eenvoudige
statistische bewerking (er is een tweezijdige T-toets uitgevoerd waar mogelijk).
1. Groei en totaalopbrengst per zeug per dag
In tabel 1 (bijlage 3)
worden de opbrengstgegevens per bedrijf en per toom, cq zeug, voor de
behandeling ''kruiden'' en daarna voor de controlegroep gegeven.
Standaarddeviaties ontbreken waar de tomen niet afzondelijk gewogen zijn. Het
aantal tomen (n) dat in de proef betrokken was en de pariteit van de zeugen zijn
hier ook aangegeven. Voor het biggenaantal zie
tabel 3. Voor gegevens omtrent de geboorte zie
tabel 4.
De groei (per toom of per big) is in de meeste bedrijven
niet merkbaar beïnvloed door de kruidengift. De cijfers laten dit zien, maar ook
de opmerkingen van de veehouders wijzen in die richting. Alhoewel de groei per
big in de kruidengroep over het algemeen minder is, is het aantal biggen in de
kruidengroep gemiddeld groter (zie tabel 3), en daardoor is de opbrengst per
saldo per zeug gelijk gebleven qua kilo's.
Het aantal levendgeboren biggen was bij de start iets
groter in de controlegroep en daardoor lag waarschijnlijk het geboortegewicht
daar iets lager dan in de proefgroep. Echter in de loop van de proef vielen er
veel meer biggen uit van de controlegroep. De bepaling van het geboortegewicht
was op verschillende bedrijven niet goed mogelijk (zie tabel 4 en de opmerkingen
daarbij).
2. Speendiarree
In tabel 2 (bijlage 3) staan de gegevens
voor de diarreescores op 7 en 8 weken. Op enkele bedrijven is niet per toom maar
alleen voor de hele behandelgroep de score genoteerd (dan ontbreekt de
standaardafwijking). In bedrijf nr 1 is per toom een diarreescore gegeven
(ernstig is 2, licht is 1, geen diarree is 0). Dit is niet in de tabel
opgenomen. Er was weinig diarree en er deed zich geen verschil tussen beide
behandelingen bij dit bedrijf voor. Bij de andere bedrijven gaat het om het
percentage dieren in de toom dat diarree heeft.
De resultaten zijn hier niet eenduidig. Op enkele bedrijven
lijkt de kruidenbehandeling diarree verminderd te hebben, bij twee bedrijven is
er juist vermeerdering van de diarree bij de kruidenbehandeling. Dit zijn tevens
de twee bedrijven waar biggen tijdens de eerste twee weken na de geboorte met
antibiotica behandeld zijn. Het meetinstrument (vieze kontjes tellen) bleek niet
zo geschikt. Het was veel werk, gaf veel stress voor de biggen en aan de
validiteit ervan werd door de studenten getwijfeld. Vies weer geeft ook vieze
kontjes bij diern met uitloop.
Per saldo lijkt de kruidenbehandeling geen invloed te
hebben op het optreden van speendiarree en evenmin op de inzet van medicatie.
Alleen bij bedrijf nr 4 was de speendiarree zo ernstig dat er reguliere
medicatie werd ingezet.
3. Uitval
In tabel 3
(bijlage 3) is per toom het startaantal biggen (A) gegeven (dit is het
aantal levend geboren biggen, gecorrigeerd voor overleggen en bijleggen), het
aantal grootgebrachte biggen per zeug (B) en het berekende percentage uitval (A-B)
ten opzichte van A.
De uitval komt bij de meeste bedrijven vooral voor in de
zoogperiode, en sporadisch nog wel eens na het spenen. Uitzondering zijn bedrijf
nr 4 en (in mindere mate) 6, waar ook na het spenen nog diverse biggen zijn
overleden. Zowel voor als na het spenen was de uitval hier hoog.
De resultaten zijn positief voor de kruidengroep (hier was
minder uitval). Ook tijdens de proef hebben enkele veehouders al opgemerkt dat
de uitval in deze groep zeker 5% lager was. Zie bijgaande grafiek (fig.1).
Fig. 1. Overzicht van het percentage uitval biggen
(zie tabel 3).

Het positieve verschil is zichtbaar bij alle bedrijven, met
uitzondering van bedrijf nr 3. Indien echter bij dit bedrijf twee zeugen, die
een sterk afwijkend resultaat gaven, worden verwijderd uit de verwerkte data,
dan laat ook dit bedrijf 5% minder uitval zien in de kruidengroep. Het betreft
eenmaal een zeug die voor het eerst afbigde; en eenmaal een zeug met
baarmoederontsteking, die beiden een grote uitschieter in de uitval gaven, en
beiden in de verumgroep zaten. Echter, op alle bedrijven zijn randomisatiefouten
gemaakt en in beide proefgroepen komen incidenteel bijzondere gevallen voor. Zo
is nu eenmaal de praktijk. Daarom hebben we in dit verslag nergens gecorrigeerd
voor uitschieters. Mogelijk dat in een later stadium nog verschillende
deelanalyses gemaakt kunnen worden, in combinatie met de resultaten van de
herhaling door het Louis Bolk Instituut.
Conclusies en discussie
Getest werd
1. Of een mengsel van anijs, venkel en brandnetel door
zeugen in de kraamstal goed wordt opgenomen?
Het antwoord is ja, er waren nergens specifieke problemen met de
acceptatie/opname van de kruiden door de zeugen.
2. Of dit een effect heeft op de melkgift (cq de groei en
gezondheid van de biggen)?
Dit kan op basis van deze resultaten nog niet worden geconcludeerd. Er is wel
een positieve invloed gesignaleerd op de uitval van biggen (die vooral in de
kraamstalperiode plaatsvindt).
3. Of een mengsel van venkel en tijm wordt geaccepteerd
door de biggen?
Het bleek dat het op verschillende bedrijven vrij lang duurde voordat de biggen
aan het eten waren, er is geen verschil geconstateerd tussen proefgroep en
controlegroep in dat opzicht.
4. Of dit mengsel de voeropname van de biggen verbetert en
het optreden van speendiarree vermindert?
Deze proef leverde te weinig gegevens op om hierover een uitspraak te doen, ook
omdat op de meeste bedrijven de betrokken tomen na het spenen door elkaar
liepen, ze gezamenlijk werden gewogen, en er dus geen standaardafwijkingen
bekend zijn. Daarnaast waren er twijfels over de validiteit van het gebruikte
meetinstrument voor de speendiarree.
De groei van de biggen lijkt niet positief te worden
beïnvloed door de kruiden. Per saldo lijkt er weinig verschil in de opbrengst te
zijn door deze kruidenbehandeling. Er blijven meer biggen in leven (relatief
gezien, er werd al met iets meer biggen gestart in de proefgroep), maar ze wegen
dan gemiddeld wat minder. Het beeld wordt ook wat vertekend doordat de duur van
de opfokperiode (het aantal groeidagen) niet overal gelijk was. Doordat de
kruiden op enkele bedrijven later dan gepland aanwezig waren, zijn in deze
bedrijven de zeugen die het eerst gebigd hadden aan de controlegroep toegewezen.
Vervolgens werd dan toch op een gelijk moment de hele proef (inclusief controle)
gespeend en gewogen. Hierbij was dan de proefgroep vaker in het nadeel dan de
controlegroep, omdat de dieren enkele dagen jonger waren.
Significante effecten op de groei zijn in deze proef niet
naar voren gekomen (positief noch negatief).
Het meest veelbelovende resultaat lijkt op dit moment de
verlaagde uitval als gevolg van de kruiden. Deze uitval doet zich vooral in de
kraamperiode voor; na het spenen komt nauwelijks uitval meer voor. Het is een
complex probleem, waarbij de hoeveelheid en kwaliteit van de zog, de
infectiedruk in de stal, de weerstand van de biggen, de alertheid van zeugen en
biggen, de raskenmerken, hokinrichting en eventuele aangeboren specifieke
problemen bij betrokken zijn. Met uitzondering van de drie laatstgenoemde
factoren, kunnen goed gekozen kruiden op al deze factoren inwerken. Het is zeer
de moeite waard om hier verder onderzoek naar te doen.
Op dit moment wordt deze proef herhaald door het Louis Bolk
Instituut op vijf bedrijven. De resultaten behaald in deze proef zijn hiervoor
ter beschikking gesteld.
Wij hopen dat de gezamenlijke evaluatie meer
inzicht zal geven in de rol die de kruiden, maar ook de andere factoren in de
bedrijfsvoering, kunnen spelen voor deze sector. Met het oog op het welzijn van
de dieren is het belangrijk te blijven zoeken naar optimalisering van de
bedrijfsvoering en de eventuele mogelijkheden van het gebruik van kruiden
hierbij.
Tijdens deze proef hebben we de verschillende nadelen en
voordelen van een praktijkproef ervaren:
- Nadelen zijn dat het werken met vrijwilligers en
stagiaires, en de setting op bedrijven die niet op experimenten ingericht zijn,
maakt dat de resultaten grillig zijn. Vaak is op de randomisatie veel af te
dingen; tijdgebrek en materiaalgebrek (op enkele bedrijven was er geen
weegschaal, en hebben studenten moeten improviseren met een geleende of een
personenweegschaal) maken een professionele uitvoering van de proef lastig.
Het is daarom bijzonder interessant geweest dat ook het PC
Raalte in deze proef deelnam, daar had men wel de mogelijkheid om het protocol
strak te volgen.
- Voordelen van de praktijkproef zijn dat in de
onderzoeksresultaten nu de vertaling naar de heel verschillende
praktijksituaties reeds is gemaakt. De vertrouwdheid met de procedure maakt de
implementatie van de resultaten gemakkelijk. Door het proces van samen (boeren
en onderzoekers) een antwoord zoeken op openstaande vragen groeit de
betrokkenheid van de sector bij elkaar en bij het proces van
kwaliteitsvergroting.
Met name gezien dit laatste vinden we de voordelen zeker
opwegen tegen de nadelen en we hopen dat de varkenshouders gemotiveerd zijn om
verder te gaan op deze weg.
Het is aan te bevelen om de proef te herhalen en door
variaties in het kruidenrecept te proberen het effect van de kruiden te
optimaliseren.
Suggesties die vanuit de veehouders en studenten zijn
gedaan:
- Al met de kruiden bij de zeug beginnen een paar dagen
voor het afbiggen (direct na de bevalling is er soms minder eetlust).
- Meer aandacht voor de interactie tussen kruiden en
verschillende soorten speenbrokken.
- Zorgen voor weegschalen op de bedrijven.
- Diarree door de veehouders zelf vast laten stellen, een
eenduidige maat hiervoor ontwikkelen.
- Meer aandacht voor de invloed van het weer (bv hete
dagen), herhalen in alle seizoenen.
- Meer aandacht voor de verschillende managementfactoren op
alle bedrijven.
- Andere wijze van toedienen van kruiden bij de jonge
biggen, tot 4 weken wordt vrijwel niets gegeten. Suggestie: vernevelen in de
ruimte (bijvoorbeeld vluchtige extracten).
Suggesties vanuit het IEZ (TvA):
- Kosten en baten-aspect verder optimaliseren (bijvoorbeeld
door alleen venkel te geven).
- Biggen langer kruiden laten eten en hun ontwikkeling
volgen tot aan de slacht. Eventueel ook de verschillen in vleeskwaliteit door
het kruidengebruik hierbij betrekken.
- Andere kruidenmiddelen bij het onderzoek naar uitval
betrekken (te denken valt aan kruiden die stressvermindering en verhoging van de
alertheid geven).
De evaluatiebijeenkomst met alle deelnemers en medewerkers
zal in 2006 plaats vinden, als de gegevens bekend zijn van de herhaling van de
proef die het Louis Bolk Instituut momenteel uitvoert.
Kostenaspect
Voor deze proef is om reden van kostenbesparing gekozen
voor kruiden die niet (helemaal) overeenkomstig de farmacopee specificaties
zijn, zoals beschreven in bijlage 1 (naar ESCOP, 2003); maar die wel voldoen aan
de hoogste eisen van de warenwet.
Het kostenplaatje ziet er als volgt uit:
Kruiden: € 406,- (incl BTW) Dit was de berekende
hoeveelheid voor 9 bedrijven.
Per bedrijf is dus voor ongeveer 45 euro aan kruiden
gebruikt (voor 7 tomen). Daarnaast zijn emmers gekocht om te mengen en te
verdelen over de bedrijven.
In deze proef is voor ongeveer € 6,50 per toom aan kruiden
ingezet, per big een investering van ongeveer € 0,60.
Bij een bedrijf met 100 zeugen biggen er gemiddeld 10
zeugen per week. Het extra werk dat de toediening met zich meebrengt wordt
geraamd op ongeveer 15 minuten per week (mengen van voer en kruiden, en
individuele toediening aan zeugen in de kraamstal). Dit is uiteraard exclusief
alle weeg- en registratiewerkzaamheden die uitgevoerd zijn ten behoeve van het
onderzoek. Op jaarbasis vraagt deze aanpak 12 tot 15 uur extra werk per bedrijf,
totale kosten ongeveer € 1000,-. Dit is eenvoudig terug te verdienen door óf een
vermindering van dierenartskosten en tijd benodigd voor de verzorging van zieke
dieren, óf door een verlaagde uitval. Op een productie van 2400 levend geboren
biggen per jaar zijn er 11 minder uitgevallen biggen nodig (ongeveer 0,5%) om de
kosten van deze aanpak te dekken. Dit lijkt, gezien het behaalde verschil in
uitval bij de proefgroep (17%0 ten opzichte van de controlegroep (25%) zeker
haalbaar.
Van de vier gebruikte kruidensoorten is venkel het minst
duur (1,59 per kilo) en tijm het duurst (3,07 per kilo).
Dankwoord
Wij danken alle deelnemende bedrijven en studenten voor hun
enthousiaste medewerking.
Wij bedanken de leden van de NVF studiegroep Dier en Kruid
die mee hebben gedacht over de opzet van deze proef, dierenarts Ineke Puls
eveneens voor de hulp tijdens de cursus.
Dank aan de provincie Overijssel voor het vertrouwen en de
toegezegde subsidie.
Literatuur
Allan P., Bilkei G. 2005. Oregano
improves repsoductive performance of sows. Theriogenology, feb, 63(3)716-21.
ESCOP 2003. Monographs.
Exeter/Stuttgart, Thieme.
FIDIN, 2005. Antibiotica rapportage
2004.
Holden P.J., McKean J.D. 2000.
Botanicals for Pigs. Pag. 47-53 in: Proceedings of the Alternative and Herbal
Livestock health Conference: A Scientific Review of Current Knowledge. Oct
20-21, 2000, University of Connecticut, College of Agricultural and Natural
Resources.
Reichling J. et al. 2005. Heilpflanzenkunde
für Tierärzte. Berlin-Heidelberg, Springer.
Van Asseldonk A.G.M., Beijer, H. 2005.
Herbal folk remedies for animal health in the Netherlands. Beek-Ubbergen, IEZ.
Van Asseldonk T., Kleijer-Ligtenberg, G. 2005. Cursus
Kruiden en Varkens. Beek-Ubbergen, IEZ.
Walter B.M., Bilkei G. 2004.
Immunostimulatory effect of dietary oregano etheric oils on
lymphocytes from growth-retarded, low-weight growing-finishing pigs and
productivity. Tijdsch Diergenk Mar 15; 129(6):178-81.
Nawoord:
Het verslag van de herhaling van dit experiment door het Louis Bolk
Instituut is online (met acrobat) te lezen op
http://www.louisbolk.org/downloads/1792.pdf
Bijlage 1
Toelichting op de gekozen kruiden
Uitgangspunten voor de keuze van in te zetten kruiden bij
deze proef waren:
De kruiden moeten
- een preventieve voedingsaanvulling bieden die
gezondheidsbevorderend werkt voor de hele groep (geen individuele
klachtenbehandeling) dus met breed werkzame en weinig toxische kruiden
- lekker smaken (goed geaccepteerd worden in het voer)
- goedkoop zijn in verhouding tot het te verwachten effect
De rode draad in deze studie is de inzet van
Venkelzaad (Foeniculi fructus; soort Foeniculum vulgare Miller subsp
vulgare var. vulgare of var. dulce).
Dit product is erg goedkoop, een aandachtspunt is nog dat
bij gebleken geschiktheid de biologische productie zou moeten worden
nagestreefd.
Kwaliteitseis venkelzaad: dit dient 20 ml/kg etherische
olie te bevatten, waarvan minimaal 60% anethol.
Venkelzaad is in de humane geneeskunde een bekend product
voor moeder en kind. Het bevordert zowel de zogvorming als de spijsvertering (we
verwachten dus een betere voederconversie) en vermindert darmkrampen. Het is
veilig: venkel is een van de weinige kruiden die volgens ESCOP monografieën
zowel bij zwangerschap als lactatie veilig zijn, NB dit geldt niet voor de
geïsoleerde vlugolie maar wel voor de water-extracties.
Het smaakt goed, ook pasgeboren mensenbaby's nemen het
graag. Wij verwachten dat als de zeug venkel gebruikt de smaak hiervan een
beetje bij de biggen herkend wordt en daardoor kan deze vertrouwde smaak (en de
werking als steuntje in de rug) ze ook door de moeilijke speenperiode wat beter
helpen.
Terzijde zij opgemerkt dat venkel ook voor de
ademhalingswegen wordt gebruikt (hoest e.d.).
In Nederland is traditioneel gebruik van venkel
gerapporteerd voor paard en hond (Van Asseldonk/Beijer, 2005).
Farmacognosie:
De werking van venkel berust voor een groot deel op de
vluchtige verbindingen (anethol is de belangrijkste) maar er zitten ook ook
wateroplosbare glycosiden, diverse organische zuren en flavonen in en die zullen
ook een rol spelen bij de werking.
De extracten van venkel remmen de groei van verschillende
bacteriën en schimmels zoals E-coli, Staphylococcus aureus, Salmonella
typhimurium en Candida albicans (voor de olie zijn de MICs voor deze
micro-organismen vastgesteld op resp 0,5%; 0,25%; 1% en 0,5%). Bovendien
hebben ze een anti-oxidant werking. Venkel is een ophoestmiddel (12 % verhoging
van de slijmtransportsnelheid in luchtwegepitheel). Van de olie is een licht
oestrogeen effect vastgesteld en een anti-tumorwerking.
De afscheiding van spijsverteringssappen wordt vermeerderd
en ook de overige activiteiten (maagbeweging enz.) van de spijsvertering; tevens
heeft het ter plaatse op de slijmvliezen een mild verdovend effect en het werkt
ontspannend bij spierkrampen. Een mild antiflogistisch effect werd in vitro
vastgesteld.
Farmacologie/toxicologie:
Venkel wordt goed opgenomen (bij mensen, van varkens geen
gegevens). 70% wordt via de urine en 15 % via luchtwegen uitgescheiden. Vrijwel
niets via de faeces. Na 8 uur is het vrijwel geheel uitgescheiden. De LD50 ligt
voor de olie bij ongeveer 3 a 4 gram per kg lichaamsgewicht bij ratten.
Er is een gering risico op een allergische reactie.
De bovenstaande gegevens: naar ESCOP, 2003.
Reichling et al. (2005) noemen daarnaast nog activiteit tegen
Streptococcus pyogenes, Proteus vulgaris, Klebsiella pneumoniae, Pseudomonas
aeruginosa, Trichophyton mentagrophytes.
Dosering: ESCOP (humaan) thee van 5-7 g/dag; Reichling e.a.
(varken volw) 5-10 g/dag.
Anijszaad: Anisi fructus ; plant: Pimpinella anisum
L.
Kwaliteit: 20 ml/kg vlugolie.
De inhoudsstoffen, toepassingen en veiligheid van anijs
lijken op die van venkel, maar anijs wordt traditioneel iets meer specifiek
gebruikt voor de zogvorming.
Dosis humaan (ESCOP) thee van 3 g/dag; Reichling e.a.
(varken volw) 3-10 g/dag.
Brandnetelkruid: Urticae herba; plant: Urtica dioica
L. of Urtica urens L. of hybriden.
Kwaliteit: ongeveer 18% mineralen in de as.
Brandnetel is door de vele mineralen (met name kalium: K/Na
= 63, ijzer en silicium) een belangrijke voedingsaanvuller. Andere belangrijke
inhoudsstoffen zijn sterolen, diverse organische zuren zoals koffiezuur,
flavonoïden en serotonine. Humaan gebruik als bloedvormer (ijzer) diureticum
(met extra K) en anti-reumaticum. Volksgebruik als zogbevorderaar en
spijsverteringsbevorderaar. Vooral: algemeen versterkend middel.
In vitro zijn vooral de ontstekingsremmende eigenschappen
van brandnetel goed onderzocht. Verder verlaagt de plant de bloedsuikerspiegel.
Daarnaast blijkt brandnetelextract ongeveer te werken als dihydroergotamine: bij
de geïsoleerde muizenbaarmoeder indien zwanger gaf het meer spiertonus en
effectievere contracties van de baarmoeder; indien niet zwanger lichte
contractie en daarna ontspanning.
In vivo is milde pijnstilling, verhoogde
urine-uitscheiding, bloeddrukverlaging vastgesteld.
Klinische studies (humaan) zijn toegespitst op de
verlichting van reumatische pijnen; waarbij onder meer blijkt dat de brandnetel
voor een groot deel de NSAID 's kan vervangen.
Brandnetel is zeer veilig, er is bijna geen toxicologie
bekend (tot 2 g/kg symptoomloos).
Wij voegen de plant toe in deze proef omdat één van de
boeren er goede ervaringen mee had bij zijn zeugen.
Brandnetel wordt in
Nederland traditioneel gebruikt voor veel diersoorten (Van Asseldonk/Beijer
2005).
Dosis: humaan (ESCOP): thee van 9-15 g/dag; varken (Reichling
e.a.): 10-20 g/dag (volw).
Tijmkruid: Thymi herba; plant: Thymus vulgaris
L.
Kwaliteit: er zijn meerdere tijmsoorten en rassen (chemotypen)
die worden onderscheiden naar de samenstelling van de vluchtige olie. 12 ml/kilo
etherische olie, waarvan minimaal 40% thymol of carvacrol, is de farmacopee eis.
Daarnaast zijn verschillende flavonoiden en fenolcarbonzuren aanwezig, het
looistofgehalte ligt rond de 3%. Tevens koolhydraten en saponinen.
Tijm is een traditioneel middel bij luchtweginfecties (als
expectorans) en bij kinderdiarree. Daarnaast wordt het gebruikt voor een
algemene eetlust- en spijsverteringsverbetering (o.a. als cholagogum).
In vitro is werkzaamheid aangetoond tegen Bacillus
subtilis, Staphylococcus aureus, Escherichia coli, Helicobacter pylori en
tegen diverse schimmels, insecten en wormen.
Tijm is al vaker gebruikt in onderzoek bij varkens en met
positief resultaat op de voederconversie en op de kwaliteit van het vlees.
Wij gokken op de goede start van de biggen door goed
management, meer zog (kruiden voor de zeug) en de venkel; de toevoeging van tijm
kan bij een eventuele lichte besmetting het ontstaan van geboorte- of
speendiarree mogelijk toch voorkomen, daarnaast stimuleert het de eetlust en
maakt het de longen schoon (wat weer gunstig is voor de volgende fase).
Dosis: humaan (ESCOP) thee van 1-2 g, meermalen per dag (volw);
varkens (Reichling e.a.): 2-10 gram/dag (volw).
Bijlage 2: Hokkaart
(model)
Registratiekaart
veldproef ‘Kruiden in de kraamstal’
Zeugnummer:
Pariteit:
Verwachte werpdatum (115 dagen):
Werpdatum:
Aantal levend geboren: Aantal
doodgeboren:
Datum ijzer/castreren/etc:
Toomgewicht:
Toomgrootte:
Oornummers biggen:
Datum start bijvoer:
Datum spenen:
Toomgewicht:
Toomgrootte:
Overleggen
(binnen eigen groep!)
|
Datum |
Van zeug nr |
Naar zeug nr |
Oornummer big |
Geschat gewicht |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Uitval
|
Datum |
Oornummer/Aantal |
Geschat gewicht |
Verm. doodsoorzaak |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Ziekte
|
Datum |
Oornummer |
Symptoom/Ziekte |
Behandeling |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Overige opmerkingen
Link naar
Bijlage 3: tabellen
|